Auteur: Ewout Kramer is technisch specialist bij Furore en houdt zich bezig met architectuur en berichtuitwisseling in het bijzonder.
Nederland, Finland en het Verenigd Koninkrijk zijn momenteel druk bezig met het aanleggen van een nationale infrastructuur voor berichtenuitwisseling in de zorg op basis van HL7 versie 3 (HL7v3). Inmiddels heeft het Europese instituut CEN een eerste versie van zijn eigen norm voor elektronische patiëntendossiers gepubliceerd, die bekend staat als EN13606. De vraag rijst of het naast elkaar bestaan van twee standaarden, harmonisatie niet in de weg zal staan. Of zijn er uiteindelijk alsnog kostbare en langdurige conversietrajecten nodig om ook internationale samenwerking binnen de zorg mogelijk te maken?
Een zoektocht op het internet levert verschillende meningen op over beide standaarden. Voorstanders van de CEN-norm claimen dat deze technisch en conceptueel de betere is, terwijl aanhangers van HL7v3 wijzen op succesvolle, reeds gerealiseerde projecten op basis van die standaard. Degenen die zich verder verdiepen in de onderliggende materie zien echter niet alleen veel overeenkomsten tussen EN13606 en HL7v3, maar ook een groot aantal referenties naar de harmonisatie van de standaarden. Zo wordt al in de eerste pagina’s van de omschrijving van de CEN-norm gerefereerd aan het feit dat het mogelijk is om EN13606 te volgen, terwijl je als organisatie werkt vanuit een HL7v3-infrastructuur. Omgekeerd zien we belangrijke CEN-concepten terug in de laatste versie van de HL7-standaard. De standaarden hebben duidelijk meer overeenkomsten dan in eerste instantie wordt gesuggereerd.
Ander uitgangspunt
Het grootste verschil tussen HL7v3 en EN13606 is het uitgangspunt. Niet het patiëntdossier maar de uitwisseling van gegevens over gebeurtenissen in het zorgtraject vormt de basis voor HL7v3. De standaard laat hierbij open op welke wijze de uitwisselende systemen deze gegevens in een dossier verwerken. De vraag is of dit een fair uitgangspunt is: uit de structuur van berichten die uitgewisseld worden spreekt natuurlijk een bepaalde denkwijze over de wijze van inrichting van het dossier. Als softwareleverancier is het duidelijk dat, hoe verder het model dat je software intern gebruikt afwijkt van het HL7-berichtmodel, hoe meer moeite het kost om berichten correct te verzenden of te ontvangen.
Kanttekening
EN13606 hanteert een andere aanpak. Hierin wordt namelijk een standaardmodel van een patiëntendossier gespecificeerd. Uitwisseling van gegevens is mogelijk door uittreksels van een dossier te versturen naar de andere partij. Omdat de ontvanger van het bericht hetzelfde model gebruikt, zijn de gegevens eenvoudig te verwerken. Inderdaad een toonbeeld van elegantie, maar om dit te realiseren moeten ook hier beide leveranciers veel werk verrichten aan hun software: juist het aanpassen van het (vaak al jaren in gebruik zijnde) opslagmodel en de database vereist diep ingrijpen in de bestaande systemen. Bovendien laat EN13606 vooralsnog in het midden hoe en in welke vorm de uitwisseling plaatsvindt.
Referentiemodel en kennismodel
Zowel HL7v3 als EN13606 brengen in hun specificaties een tweedeling aan naar een referentiemodel en een kennismodel. Hierbij bevat het referentiemodel een set met basiscomponenten die voor specifieke doeleinden zijn te combineren tot concrete patiëntgegevens. Over de wijze waarop je deze concrete combinaties maakt, worden binnen de standaard aanvullende afspraken gemaakt. Deze afspraken vormen het kennismodel.
Als je de referentiemodellen van EN13606 en HL7v3 naast elkaar legt, dan blijkt dat deze niet fundamenteel van elkaar afwijken, zeker niet waar het de onderdelen van het klinisch zorgdossier betreft. Dit betekent dat softwareleveranciers kunnen volstaan met het eenmalig invoeren van een referentiemodel, waaruit ze vervolgens afhankelijk van de behoefte HL7v3-berichten of EN13606-dossieruittreksels kunnen samenstellen. Nog meer winst is te behalen als beide standaarden ook harmonisatie gaan nastreven in het kennismodel. Hierbij kun je streven naar overeenkomsten op klinisch niveau (beide partijen spreken af hoe het begrip ‘hartslag’ wordt vastgelegd) én op steeds hoger dossiergerelateerd niveau (waaruit bestaat een familieanamnese, hoe relateer ik waarnemingen, conclusies en behandelplannen?). Recentelijk zijn binnen de genoemde standaardisatieorganisaties initiatieven ontstaan die vooral voor de modellering van klinische gegevens naar een dergelijke oplossing zoeken.
Hoewel we liever zouden zien dat de energie in één standaard wordt gestoken, is de realiteit waarschijnlijk dat beide naast elkaar zullen bestaan. Zorgleveranciers zullen hoe dan ook moeten investeren in het invoeren van een flexibel referentiemodel dat beide standaarden kan ondersteunen. Hoeveel inspanning en kosten zij vervolgens moeten maken om in de toekomst te kunnen integreren, is afhankelijk van de bereidheid van beide partijen om samen te werken. Over de heg praten de buren gelukkig dus met elkaar.
Vragen of opmerkingen over dit artikel en vragen over dit onderwerp kunt u mailen naar Ewout Kramer, e.kramer@furore.com.